“All we (should) know about our bombs”: hoog tijd voor meer transparantie en verantwoording

cartoon drie F16s die niet horen zien of spreken

Verslag van de avond 'All we (should) know about our bombs' met Koen Kluessien (Airwars) en Omar Ferwati (Forensic Architecture) in de Beursschouwburg

België trok de afgelopen jaren veelvuldig ten oorlog. Belgische F-16s werden volop ingezet in Libië, Irak en Syrië. De teneur bij Defensie is altijd dezelfde: de missie was een groot succes, maar veel details kunnen helaas niet gedeeld worden. Maar hoe wordt succes juist gedefinieerd? En wat zouden we eigenlijk écht moeten weten over onze bommen?

Om een antwoord op die vragen te krijgen, haalden Pax Christi Vlaanderen en Vredesactie op 11 april twee “digitale detectives” van Airwars en Forensic Architecture naar de Beursschouwburg in Brussel. Het open source-onderzoek van Koen Kluessien (Airwars) en Omar Ferwati (Forensic Architecture) tracht een leemte op te vullen waar overheden de lippen stijf op elkaar houden. Een verslag van "All we should know about our bombs".

Wat we (niet) weten over Belgische bommen in Irak en Syrië

Monitoringgroep 'Airwars' analyseert online informatie en burgergetuigenissen om zo de luchtaanvallen van de Internationale Coalitie te controleren op burgerslachtoffers. Volgens Airwars maakte de Internationale Coalitie sinds augustus 2014 minstens 6.238 burgerslachtoffers in Irak en Syrië. In totaal is er sprake van 29.223 luchtaanvallen van de Coalitie, waarbij 106.835  bommen en raketten werden ingezet. 

"Die informatie vertelt een erg duidelijk verhaal. Een verhaal dat vaak tegengesteld is aan het beeld dat wordt verspreid door Westerse landen, dat moderne oorlogen clean en precies zijn. Dat is natuurlijk onzin: je kan zo precies bombarderen als je wil, er zullen altijd burgerslachtoffers vallen" aldus Koen Kluessien in Brussel.

De Verenigde Staten erkennen tot op heden hun verantwoordelijkheid voor 855 burgerslachtoffers, maar de meeste andere coalitielanden – waaronder België – beweren geen enkele burger te hebben gedood. Die zelfzekere statements van landen zoals België zijn niet min. België was meer dan twee jaar actief in de Internationale Coalitie tegen IS en voerde minstens 871 luchtaanvallen uit in Irak en Syrië.

Ter vergelijking: uit officiële Amerikaanse en VN-data over luchtaanvallen in Afghanistan, Pakistan en Jemen blijkt dat gemiddeld één burger wordt gedood per zeven tot tien luchtaanvallen. De Belgische Defensie houdt echter vol dat hun bommen geen burgers doden. “Onze rules of engagement bepalen dat we geen burgerslachtoffers maken, dus we maken geen burgerslachtoffers”, vertelde Defensie in september 2017.

je kan zo precies bombarderen als je wil, er zullen altijd burgerslachtoffers vallen

cartoon drie F16s die niet horen zien of spreken

Cirkelredenering doorprikken

Mogelijkheden om deze cirkelredenering te doorprikken en een discussie over de feiten te voeren zijn er nauwelijks. Defensie geeft zelden data vrij over het tijdstip, de locatie of de gebruikte munitie, en de samenwerking met externe monitors zoals Airwars wordt categoriek geweigerd. Koen Kluessien benadrukt dat er bij de analyse van claims van mogelijke burgerslachtoffers op geen enkele moment gesproken wordt met lokale getuigen, wat de geloofwaardigheid van deze analyses ernstig ondermijnt.  

Door deze extreem gesloten houding bengelt België samen met Nederland achteraan het transparantielijstje en is het minder open dan landen als Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en zelfs de Verenigde Staten. Stemmen uit de Belgische legertop en het kabinet van Defensie verantwoorden zich door te verwijzen naar "de bescherming van onze veiligheid". De toegevingen van transparantere bondgenoten uit de internationale Coalitie bewijzen echter dat meer openheid kàn, zonder daarbij Belgische piloten of onze nationale veiligheid in gevaar te brengen.

Bekijk de speech van Koen Kluessien hier.

'Digitale detectives' in de tegenaanval

Het is die doorgedreven geslotenheid die ervoor zorgt dat onderzoekscollectieven ontstaan die zelf op zoek gaan naar informatie. Het werk van initiatieven zoals Forensic Architecture speelt daarbij in op twee hedendaagse "trends": enerzijds spelen oorlogen zich steeds vaker af in een stedelijke context; anderzijds wordt die stedelijke context bevolkt door duizenden burgers met smartphones in de hand. In de woorden van Omar Ferwati:

Vaak kunnen we niet zelf ter plekke gaan. Gelukkig beschikken we over duizenden ooggetuigenverslagen, filmpjes en foto’s die massaal verspreid worden via allerlei sociale media. Het is dus kwestie om die enorme hoeveelheid aan informatie te organiseren, filteren en met elkaar te vergelijken. Tegelijk bevatten gebombardeerde gebouwen talloze informatie. We moeten gebouwen dus beschouwen als getuigen die ondervraagd moeten worden.’

Hoewel de organisatie vooral feiten naar buiten wil brengen voor het publiek, stelt Ferwati dat het werk van Forensic Architecture ook indirect invloed kan hebben op de communicatie van overheden. De student architectuur leidde vorig jaar het onderzoek naar een door de VS gebombardeerde moskee in Syrië, waarbij verschillende burgers om het leven kwamen.

In de Beursschouwburg wordt het dan ook muisstil wanneer Ferwati aan de hand van indrukwekkende beelden toont hoe hij de vernielde moskee reconstrueerde en ontdekte op welke plaatsen slachtoffers werden gevonden onder het puin. Waar de Verenigde Staten eerst melding maakte van een aanval op leden van Al-Qaida in een gemeenschapszaal, zorgde de reconstructie ervoor dat de VS bekende dat ze een moskee hadden geraakt.

Bekijk de speech van Omar Ferwati hier.

Het zijn de onderzoeken van Airwars en Forensic Architecture die de claims van de Belgische overheid sterk in twijfel doen trekken. Hoe precies onze bommen ook worden afgevuurd, een "propere" oorlog bestaat niet.

Uiteindelijk komen we in de Beursschouwburg tot de vaststelling: het is onaanvaardbaar. Onaanvaardbaar dat Airwars en Forensic Architecture een taak op zich moeten nemen omdat overheden hun werk niet doen. Onaanvaardbaar dat overheden geen grondig onderzoek doen naar de impact van hun eigen bommen op het leven van gewone burgers in oorlogsgebieden. Onaanvaardbaar dat dorpen en steden in puin liggen, dat slachtoffers "ongeteld" blijven, en dat nieuwe vijanden uit de ruïnes opstaan.

Vaak kunnen we niet zelf ter plekke gaan. Gelukkig beschikken we over duizenden ooggetuigenverslagen, filmpjes en foto’s die massaal verspreid worden via allerlei sociale media

Deze bijdrage werd gepubliceerd op MO* Magazine